Neurofeedback (EEG-biofeedback of neurotherapie) is een trainingsmethode met als doel de hersenen op een specifieke wijze te trainen. Door deze methode ‘leren’ de hersenen beter te functioneren. Ze leren zichzelf als het ware beter te besturen. Op deze manier leren de hersenen ook de aansturing van lichamelijke processen te verbeteren. Daarnaast kan door beter functionerende hersenen de interactie met de omgeving worden verbeterd. Het gevolg is dat mensen in hun totaliteit zich beter gaan voelen.
De hersenen hebben als belangrijkste taak een zo goed mogelijke aanpasing aan omgevings- omstandigheden te realiseren. Daarvoor is het nodig dat ze zichzelf reguleren (aansturen), lichaamsprocessen reguleren en de interactie met de omgeving besturen. We noemen de hersenen daarom in dit verband ook wel een zelfregulerend mechanisme. Als dit mechanisme niet optimaal functioneert kan dit tot allerlei klachten leiden op psychisch gebied, op lichamelijk gebied en in contacten met anderen. Een verbeterde regulering kan er dus toe leiden dat mensen op meerdere gebieden verbeteringen opmerken.
Specifieke hersenactiviteit en dan met name bepaalde hersengolven.
Ons denken, voelen, doen en laten wordt net zoals de aansturing van veel lichaamsprocessen bepaald door onze hersenen. In het algemeen voeren de hersenen deze taken uit zonder dat dit leidt tot (blijvende) problemen. De werking of regulering van de hersenen is dan relatief stabiel. Soms voeren de hersenen hun taken echter zodanig uit dat blijvende problemen het gevolg zijn. We speken dan van een ontregeling in hersenactiviteit. Bij mensen met hersenletsel of klachten zoals stress, pijn, vermoeidheid of hyperactiviteit, doen de hersenen niet meer optimaal wat ze zouden moeten doen. Ze werken bijvoorbeeld te traag, waardoor alledaagse handelingen veel energie kosten of ze werken voortdurend te snel wat weer andere klachten met zich meebrengt. De mate van ontregeling bepaalt grotendeels de mate en de ernst van de gevolgen of klachten. Dat kan dus betekenen dat een ontregeling niet per se hoeft te leiden tot problemen op alle mogelijke gebieden. Soms overheersen klachten op een specifiek gebied. Met neurofeedback leren de hersenen door training de eigen activiteit zodanig te beïnvloeden dat een ontregeling in belangrijke mate blijvend ongedaan wordt gemaakt.
Met behulp van een EEG kun je de elektrische activiteit in de hersenen meten. Afwijkingen kunnen zo aan het licht komen. Bij een uitgebreider EEG-onderzoek kun je iemands hersenactiviteit vergelijken met wat ‘normaal’ is. Zo kun je vrij nauwkeurig bepalen waar en welke activiteit afwijkend is. Uiteraard is het niet zo dat elke klacht of elk probleem tot uitdrukking komt in afwijkende activiteit. Ook bij andere afbeeldingstechnieken van de hersenen, zoals MRI en Petscan, wordt niet elk probleem teruggevonden in afwijkende gegevens. Overigens heeft onderzoek aangetoond dat het verband tussen EEG-gegevens en Pet-scan gegevens erg hoog is. Als er geen afwijking in het EEG worden gevonden dat houdt dat niet automatisch in dat niets van een neurofeedbackbehandeling mag worden verwacht. Op basis van de aard van de klachten kan soms toch een behandeling worden ingezet. Het EEG blijft dus een hulpmiddel.
Globaal wordt uitgegaan van een tweetal ontregelingen, namelijk ontregelingen in de mate waarin hersenen geactiveerd zijn en ontregelingen in de verbinding tussen hersengebieden.
Ontregelingen in activatie kunnen zijn een chronische ondergeactiveerdheid, overgeactiveerdheid of beurtelings onder- of overgeactiveerdheid.
Om het wat ingewikkelder te maken: tot op zekere is het zo dan bovengenoemde activeringspatronen niet voor de hersenen in z’n geheel hoeven te gelden maar zich soms beperken tot bepaalde hersencircuits (netwerken).
Problemen in de verbinding tussen hersengebieden noemen we connectiviteitsproblemen of ook wel problemen in coherentie . Er kan te weinig coherentie (samenwerking) zijn of juist te veel samenhang. Het gevolg is dat hersengebieden zo worden bemoeilijkt in het uitvoeren van hun specifieke taken. Autisme wordt bijvoorbeeld gezien als een conditie die gekenmerkt wordt door connectiviteitsproblemen.
Dit hangt voor een deel van het klachtenpatroon af. Het is niet zo dat bij elk klachtenpatroon een specifieke behandeling past. Globaal geldt echter dat door training bepaalde ontregelingen in hersenactiviteit bijgesteld kunnen worden. Het bijbehorende klachtenpatroon vermindert in deze gevallen dan ook meestal mee.
Als de training leidt tot een vermindering van klachten dan is deze verbetering in vele gevallen definitief. Om tot een definitieve verbetering te komen is extra training nodig ook al zijn de klachten verdwenen.